Elk jaar vergapen miljoenen mensen zich aan toeristische trekpleisters als de Eiffeltoren, de Toren van Pisa of de piramides van Gizeh. Hoe diep moeten we in onze portemonne duiken als we die bezienswaardigheden vandaag opnieuw zouden bouwen?
Die vraag stelde Werkspot zich, een site die vakmensen en mensen die willen renoveren samen brengt. De mensen achter de site verdiepten zich in zo’n 25 bronnen en kwamen tot de volgende rekensommen.
1. Het Colosseum in Rome
Het meest bekende amfitheater ter wereld werd voltooid in 80 na Christus, na zo’n 10 jaar harde labeur. Moest het gebouw voor gladiatorenspelen vandaag gemaakt worden, zou het 338 miljoen euro kosten.
2. Het Vrijheidsbeeld in New York
Na negen jaar bouwen, werd het iconische standbeeld in 1886 door de Fransen aan de Verenigde Staten gegeven. Destijds had het beeld een prijskaartje van 8.874.000 euro, ondertussen bedraagt dat 1,1 miljoen euro.
3. Christus de Verlosser in Rio de Janeiro
Het meest recente werk uit deze lijst is het beeld van Christus op de Carcovadoberg in Brazilië. Het bouwwerk bedroeg toen 223.000 euro, nu zou dat een pak meer zijn: 1,3 miljoen euro.
4. De Toren van Pisa
De wereldberoemde klokkentoren van Pisa kwam tot stand in 1173, na maar liefst 200 jaar bouwen. Hoeveel er destijds werd gespendeerd aan de bouwwerken is een mysterie. Ondertussen zou het een prijskaartje hebben van 3,6 miljoen euro.
5. De Eiffeltoren in Parijs
Het maken van het ijzeren bouwwerk nam exact 2 jaar, 2 maanden en 5 dagen in beslag. Opvallend genoeg is het een van de weinige bouwwerken in deze lijst die anno 2017 minder zou kosten: 27,6 miljoen euro in plaats van 31.950.000 euro.
6. De piramides van Gizeh
De oudste trekpleisters uit deze lijst zijn de piramides van Gizeh. Tienduizenden vakmannen werkten zo’n tien à twintig jaar aan het complex. Het is niet geweten hoeveel er destijds gespendeerd is aan de grafmonumenten. Nu hebben de piramide een waarde van 780 miljoen euro.
7. Big Ben in Londen
Met Big Ben wordt de bel bedoelt, voor de toren van het Palace of Westminster. De Britten hadden amper één maand nodig om de bel te gieten. Net zoals bij de Eiffeltoren is het nu trouwens iets goedkoper om het klusje te klaren dan in 1858. Terwijl de Big Ben toen 349.000 euro kostte, is dat nu 200.000 euro.